Laat u met God verzoenen (2 Kor. 5,20)

Zo wij aan Paulus de vraag stellen hoe de nieuwe paus moet zijn, zal hij ons wellicht antwoorden: hij moet een bedienaar zijn van de verzoennng. In zijn boek over De kern van ons geloof schreef prof. Dr. Jozef Ratzinger: “Het wezen van de Kerk is niet organisatie, het is troost bieden door woord en sacrament, en dat doet ze in goede en kwade dagen. Zij die werkelijk geloven, hechten niet zoveel gewicht aan de reorganisatie van kerkelijke vormen. Ze leven uit hetgeen de Kerk altijd is. En als men wil weten wat de Kerk eigenlijk is, dan moet men zich tot hen wenden. Want de Kerk is meestal niet daar, waar georganiseerd, gereformeerd, bestuurd wordt, maar ze is in hen, die eenvoudig geloven en in haar het geschenk van het geloof ontvangen, dat hun tot leven strekt. Alleen zij die ondervonden hebben, hoe de Kerk de mensen opbeurt, los van alle veranderingen bij haar bedienaren en in haar vormen, hoe ze hun een thuis biedt en hoop verschaft, een thuis dat hoop is: weg ten eeuwigen leven – alleen zij die dat ondervonden hebben, weten wat Kerk is, vroeger en nu. Dat wil niet zeggen dat men alles bij het oude moet laten en nemen zoals het nu eenmaal is” (Op. cit. p. 290).

Laat u met God verzoenen (2 Kor. 5,20)

Paulus voelt zich sterk verantwoordelijk voor de kerk van Korinte. Hij beschouwt zich als haar vader en moeder. Toch lagen de verhoudingen niet zo gemakkelijk. In een eerste brief was hij ingegaan op een aantal problemen en spanningen. Of die opgelost waren na zijn schrijven? Allicht niet, want hij schreef een tweede brief aan de gemeente. Die brief is verloren gegaan. Hij was door Paulus geschreven “met een bedrukt en beklemd gemoed en onder veel tranen” (2 Kor. 2,5). De huidige tweede brief aan de Korentiërs is wellicht zelf een samenstelling van drie afzonderlijke brieven. In elk van deze brieven is de problematiek met de gemeente aanwezig.

De mensen uit Korinte waren Paulus niet welgezind omdat een beloofd bezoek van hem niet had plaats gevonden. Hij bleef in Macedonië hangen en kwam niet naar Korinte. Ze verwijten hem dat hij geen klaar eenduidig woord heeft, dat hij misschien zelfs anders denkt dan hij schrijft. Zij beweren dat hij wispelturig is, een man met twee gezichten, “schuchter in je aanwezigheid, stoutmoedig op afstand” (2 Kor. 10,1). Zij beschouwen hem als een apostel van de tweede keus. De relaties zijn vertroebeld. Dit doet Paulus pijn. Hij voelt zich moe. De zorg om de kerken weegt op hem (2 Kor. 11,16). Hij vraagt zich af wat zijn inzet heeft uitgehaald. Welke sporen laten we na? Pastoraal werkende kunnen zich hierin herkennen.

Paulus verdedigt “met verve” in zijn tweede brief aan de Korintiërs zijn eigen apostelambt (NBV). Hij schreef een gedreven brief, waardoor wij hem beter leren kennen. Hij geeft het profiel van een evangeliedienaar. Zo betitelt T.E. van Spanje zijn commentaar op 2 Korintiërs. Mgr. Paul Van den Berghe, exegeet en Pauluskenner, gaf op een priesterbijeenkomst in Mariakerke een boeiende visie op het apostolaat van Paulus. Paulus vergelijkt in hoofdstuk 3 zijn werk met dat wat Mozes voor het volk heeft gedaan. Hij beschrijft in hoofdstuk 4 en 5 het apostelambt als een voortdurend lijden dat beloond wordt met een eeuwig leven bij God. De boventoon in het eerste deel van de brief is de verzoenende houding (NBV). Paulus lijdt er onder wanneer er spanningen zijn en wenst dat het bij een nieuw bezoek - zijn derde - goed mag gaan. “Ik ben bang, schrijft hij, voor tweespalt, jaloezie, woede, gekonkel, kwaadsprekerij, geroddel, arrogantie, wanorde” (2 Kor. 12,20). Hij wil zijn gezag aanwenden om op te bouwen en niet om af te breken (2 Kor. 13,10).

Wat hij schrijft, is niet abstract. Het is geschraagd door zijn ervaring. Hij benadert bv. op een prachtige wijze Jezus als degene die het volle Ja is aan de Vader. Hij weerlegt daarmee dat hij zelf een dubbelzinnige taal zou hanteren en tegelijk ja en neen zou zeggen. Zij beschuldigen hem dat hij achterbaks is of onbeslist. Maar zoals bij Christus, is zijn ja een oprecht ja. “Christus belichaamt het ja. In hem worden alle beloften van God ingelost; en daarom is het ook door hem dat wij amen zeggen tot Gods eer” ( 2 Kor. 1,20).

Door het apostolaat staat Paulus in dienst van Christus, opdat deze zijn tocht in de wereld kan voortzetten. Paulus is door Jezus gestuurd als een legaat. Het apostolaat is kwestie van volmacht. Het is een hoge zaak. Het maakt deelachtig aan heilsmysterie van Christus (2 Kor. 5,20). De adel van het apostolaat is dienaar te mogen zijn. Paulus is blij en fier omdat hij met Christus mag meegaan op de weg van de verkondiging. Hij zoekt niet zijn eigen roem. “Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij zich op de Heer beroemen” (2 Kor. 10,18). “Niet ons, Heer, niet ons, maar uw Naam komt de eer toe” (ps. 115).

Het apostolaat vraagt inzet en gezwoeg. De kern ligt in de mystieke verbondenheid met Christus Jezus, de gestorven en opgewekte Heer. In het apostolaat gaat het om de verkondiging van Jezus Christus, Gods Zoon (2 Kor. 1,19). Het is gericht om met onbedekt gezicht de luister van de Heer te aanschouwen (2 Kor. 3,18). De apostel is betrokken in de zwakheid en hoogheid van Christus. Christenen delen in zijn gemeenschap en kunnen aldus vruchtbaar zijn.

Het schoonste dat Paulus als apostel kan aanbieden is de verzoening met God. Ook deze is voor hem niet abstract. Hij heeft ze zelf eerst mogen ontvangen. Paulus had als vervolger van christenen schuld aan de dood van Stefanus. Hij had te lang gesteund op de Wet en had geen oog gehad voor de genade. De ontmoeting met Jezus was voor hem een ommekeer. Hij aanvaardde dat God hem zijn verzoening aanbood in Jezus. God blijft dit doen.

Mensen kunnen zo gevangen zitten in eigen schuld dat zij niet geloven dat God zijn verzoening aanbiedt. Bitterheid kan in ons zoveel vergiftigen. Bitterheid is het ergste geweld dat wij onzelf aandoen.

Er zijn pastorale gesprekken die vreugde schenken, vooral als je de vrede merkt die in een mens openbloeit. Een priester is gelukkig, als hij in een biechtgesprek een vergiffenisschenkend woord van de Heer mag uitspreken

De brief van Paulus is een bijdrage aan de verzoening in Korinte. Hij blijft deze moeilijke gemeente zien, ook al richt hij tot haar soms harde en straffe taal (hfst. 7). Aan de verzoening waartoe hij oproept, gaat de vergiffenis vooraf, die hij zelf schenkt (2 Kor. 2,10-11). Wij mogen alle bij Christus in beroep gaan (2 Kor. 5,10). Jezus brengt ons bij de Vader die zowel de oudste als de jongste zoon opwacht en hen in zijn huis uitnodigt.

Wij komen opnieuw op adem als de stekende pijn van wrok, haat en schuld wordt opgeheven. Mag er wel over vergeving en verzoening worden gesproken? In een bezinning over de Verloren Zoon (Lc. 15,11-32) vraagt Filip Noël waar we vandaag de schuld kwijt geraken. “Zijn medemensen bereid om vergiffenis en nieuwe kansen te bieden? Ook al is het onrecht groot. In onze maatschappij eisen mensen – terecht - gerechtigheid. Wie in de fout gaat, moet boeten. Recht en rechtvaardigheid zijn basisbeginselen voor een gezonde democratische samenleving, maar mag er ook plaats zijn voor mededogen en vergevingsgezindheid? Volgens Jezus wel. Hij geeft verloren mensen nieuwe kansen, hoe irritant dit ook mag zijn. Jezus kan niet anders want zijn Godservaring leert hem dat God een uitmate barmhartige vader is die uitkijkt naar de zondaar die zich bekeert. Want dat laatste is wezenlijk: wie fouten maakt, moet bereid zijn om zich te bekeren en nieuwe wegen te bewandelen” (F. Noël, Bijbel en Bezinning 2006 n° 1).

De veertigdagentijd is een tijd van verzoening en genade. Hij biedt ons de gelegenheid in Christus te herademen en ons tot God te keren om meer dan ooit Gods Heilige Geest te volgen en zo in dienst te staan van heel de mensheid (Eucharistisch gebed VI).