De bekoringen van de christen

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Wanneer wij de evangelies lezen, moeten we er ons altijd goed van bewust zijn dat die teksten niet zijn opgetekend toen Jezus nog leefde, zelfs niet onmiddellijk na zijn dood. De evangelies zijn eerst ontstaan in de oude christelijke gemeenten dertig, veertig jaar na de dood van Jezus. Zij zijn ontstaan naar aanleiding van heel bepaalde vragen die de eerste christenen zich stelden en waarop de evangelist dan een antwoord probeert te geven met een verwijzing naar het leven van Christus.

De eerste christenen leefden in een wereld die hun erg vijandig gezind was. Hoeveel christenen er in die eerste eeuwen voor hun godsdienstige overtuiging gevangenis, folteringen en ook de dood moesten ondergaan, is zelfs bij benadering niet te schatten. In onze tijd wordt er zo zelden meer over die martelaars gesproken, dat we bijna vergeten zijn welk risico je in die eerste jaren en eeuwen liep als je je als christen liet dopen. Tacitus, een heidense Romeinse schrijver uit die tijd, die je echt niet kunt verdenken van sympathie voor de christenen, vertelt toch met afschuw wat keizer Nero vanaf het jaar 64 met mensen deed die christen geworden waren: hoe hij ze dierenvellen liet aantrekken om ze door honden te laten verscheuren, hoe hij ze met massa's aan het kruis liet slaan, hoe hij ze met teer liet bestrijken en dan in brand liet steken om ‘s avonds zijn park te verlichten.

Maar net zo min als nu waren toen alle christenen helden. En bij heel velen kwam dan de bange vraag op: waarom moeten wij zo dwaas zijn een weg te kiezen die ons aan het kruis kan brengen, die kan eindigen in het park van Nero, waar we ‘s avonds als levende toortsen moeten opbranden tot vermaak van de mondaine Romeinse heren en dames die daar hun avondwandelingetje komen maken?

Daarop volgt dan vanzelf de vraag: waarom koos Jezus zelf een weg die Hem regelrecht naar het kruis, naar de terechtstelling moest voeren? En om daarop een antwoord te geven vertelt de evangelist de bekoringen van Jezus. We kunnen die bekoringen dan ook zien als de bekoringen van Jezus, maar tevens als de bekoringen van de eerste christenen, en uiteindelijk als de bekoringen van de christenen van alle tijden.

'Beveel aan die steen dat hij in brood verandert.'
Brood, voedsel, is onontbeerlijk voor ons leven. We horen achter die uitspraak de bange vraag van de vervolgde christenen: moet het geloof ons zoveel waard zijn, dat wij er ons leven voor op het spel zetten? Jezus antwoordt aan de bekoorder en daarmee aan zijn bange volgelingen: "De mens leeft niet van brood alleen". Zelfbehoud, je leven beveiligen, is goed, is vanzelfsprekend, maar niet als je er je ziel voor moet verkopen.

'Ik zal je macht geven over alle koninkrijken, maar dan moet je mij aanbidden.'
Voor de eerste christenen was dat woord van de bekoorder zeker een duidelijke toespeling op het aanbidden van de afgoden en van de keizer. Jezus antwoordt: "Gij zult de Heer uw God, aanbidden". Zelfs als je de allerhoogste macht op aarde aangeboden zou krijgen, zou je die nog niet mogen aannemen als dat gepaard zou gaan met het afwijzen van God.

'Werp je naar beneden vanaf de bovenbouw van een tempelpoort, want engelen zullen je op hun handen dragen.'
Waarschijnlijk moeten we dit zo verstaan: maak het je als Messias gemakkelijk, want de engelen zullen je dienen. Het antwoord van Jezus hierop: 'Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen' verwijst naar een passage uit het Oude Testament waar gesproken wordt over de tocht van de Israëlieten door de woestijn. Mozes zegt daar tot hen: 'Ondanks alle wonderen die gij gezien hebt, verlangt gij toch terug naar de vleespotten van Egypte, hebt gij geen vertrouwen in God, stelt gij Hem op de proef, daagt gij Hem uit in plaats van u vertrouwvol onder zijn leiding te stellen'. Door dat antwoord aan de bekoorder heen horen wij de stem van Jezus die zegt tot de christenen die onder de druk van de vervolging terugverlangen naar de vleespotten van de heidenen: 'Heb vertrouwen. Zoals de Israëlieten ondanks alle moeilijkheden uiteindelijk toch het Beloofde Land mochten binnentrekken, zo zult ook gij binnengaan in mijn Beloofde Land, mijn Rijk, als gij maar vertrouwen hebt in de leiding van God.'