2e zondag van Pasen C - 2022

Zusters en broeders,

Een klein groepje radeloze en bange mannen, dat zijn de apostelen na de kruisiging en de dood van Jezus. Maar ze zijn ook kwaad op zichzelf. Waarom hebben ze alles achter zich gelaten en zijn ze Jezus gevolgd? Wat blijft er over van hun hoop op een belangrijke functie in zijn koninkrijk? Waarom zijn ze als laffe wezels op de vlucht geslagen toen de knechten van de hogepriester Jezus gevangen namen? Maar welke vraag ze zich ook stellen, het enige antwoord is moedeloosheid, woede, verbittering, en tegelijk ook angst dat hun hetzelfde lot wacht als Jezus. Dat zij dus gevangen genomen en gekruisigd zullen worden. Daarom hebben ze zich opgesloten in de zaal waar ze een paar dagen voordien nog van het laatste avondmaal met Jezus hebben genoten. Maar het enige wat nu overblijft is de prangende vraag: waarom moet hun dat allemaal overkomen? Ze hadden zich zo een mooie toekomst voorgesteld.

Waarom moet hun dat allemaal overkomen? Een vraag die ook wij ons soms, misschien zelfs dikwijls, stellen. Een vraag die altijd naar een dood punt leidt, want er is geen antwoord op. Dus blijft er alleen ontgoocheling, verdriet en verbittering over. Zoals bij de apostelen.

Tot Jezus, ondanks de gesloten deuren, ineens in hun midden staat en zegt: ‘Vrede zij u.’ Wellicht hebben ze Hem niet eens herkend, verblind als ze zijn door hun verdriet, hun woede, hun verbittering. Tot Jezus hun zijn handen en zijn zijde toont.  Daarmee laat Hij hun zien dat Hij mens is zoals zij, dat Hij dus weet wat lijden en dood is, en dat in Hem geloven zeer erg vervolgd kan worden. En toch voegt Hij er onmiddellijk aan toe: ‘Zoals mijn Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u,’ en Hij blaast hen nieuw leven in, net zoals zijn Vader bij de schepping Adam leven inblies.

‘Vrede zij u’: geen verwijten om hun vlucht, hun verraad, hun verbittering, maar vrede. En die vrede geeft een kracht die zij vroeger niet hadden. Dat zien we in de eerste lezing. Van de bange, verbitterde wezels is niets meer te merken, integendeel, ze deinzen voor niets terug en ‘ze verrichten veel tekenen en wonderen onder het volk.’ Ze maken ook geen ruzie meer over wie van hen de belangrijkste is, zoals ze dat vroeger zo dikwijls deden. De belangrijkste is Petrus, van wie zoveel kracht uitgaat dat ‘dat men zelfs de zieken op straat op een bed of een draagbaar neerlegde, in de hoop dat, als Petrus voorbijging, ten minste zijn schaduw op hen zou vallen,’ hoorden we in de lezing. Is Petrus dan een wonderdokter geworden wiens schaduw genoeg is om zieken te genezen? Natuurlijk niet, maar hij vertegenwoordigt Jezus, en dat geeft hem een kracht die hij uitstraalt.

‘Vrede zij u’ zegt Jezus ook tegen ons, en ook aan ons laat Hij zijn wonden zien als teken dat Hij mens is zoals wij, en dat ook Hij weet wat pijn en lijden is. Pijn en lijden die niet moeten uitmonden in ontgoocheling en verbittering, maar die kracht worden als we Jezus toelaten in ons leven, en als we net als de apostelen vervuld zijn van vreugde als we Hem zien. Want dan zijn we geen bange en verbitterde wezels meer, maar mensen die kracht vinden in ons geloof. Dan gaan we niet meer ten onder aan zelfbeklag en aan vragen zonder antwoord, maar hebben we aandacht voor onze medemensen die misschien ergere miserie meemaken dan wij.

Zusters en broeders, laten we ons in deze vreselijke tijd van pijn en lijden om de afschuwelijke Russische misdaden in Oekraïne spiegelen aan de apostelen en aan Thomas. Laten ook wij dus zoals Thomas bidden tot Jezus: ‘Mijn Heer en mijn God’, en laten we ons geloof uitdragen zoals de apostelen. Ons geloof van liefde, vrede en vreugde voor onszelf en voor onze medemensen. Ons geloof dat ons als mens en als christen kracht geeft door onze ontmoeting met Jezus. Amen.