Zoiets hebben we nog nooit gezien B (2012)

Een aantal jaren geleden begon men in de catechese en bij vormingsdagen gebruik te maken van bibliodrama. Onze vormelingen doen het soms nog. Het komt erop neer dat je een bepaald fragment of verhaal uit het evangelie gaat spelen, gaat acteren.

Dat houdt in dat iedereen zich probeert in te leven in de rol van één van de personages uit het verhaal. Met soms verbazende resultaten. Want in de meeste van die personages kunnen wij vaak een stukje of een heel groot stuk van onszelf ontdekken.

 

Proberen we het eens met dit evangelieverhaal. De meest opvallende figuur is allicht de lamme. Hij wil bij Jezus geraken, maar kan het niet. Zeker niet op eigen kracht. Hij heeft dragers nodig, mensen die hem helpen. En niet zomaar een beetje helpen, hij heeft mensen nodig die tot grote inspanningen bereid zijn.

Die hem doorheen de massa dragen, tot op het dak, die een opening in dat dak maken en hem dan voorzichtig naar beneden laten zakken. We maken het ook wel eens mee: alleen niet meer verder kunnen, het echt niet meer zien zitten en dan blij zijn dat we kunnen rekenen op anderen, die voor ons de kastanjes uit het vuur willen halen.

 

De rol van de lamme kunnen we aan. Maar die vier dragers dan? Herkennen we ons daar ook in? Soms wel, denk ik, op onze beste momenten dan. Want ook wij kunnen getroffen worden door het leed of de nood van anderen.

En als we echt geraakt worden, zijn we soms tot veel bereid. Zeker als we niet alleen staan, als we bijvoorbeeld nog een drietal medestanders of gelijkgestemden hebben. En als we elkaar helpen om in de goede afloop te blijven geloven.

 

De massa mensen dan, daar herkennen we ons heel duidelijk in. Iedereen wil die wonderbare genezer zien, dus wij gaan ook kijken. En we hebben een goede plaats, we waren op tijd.

En dan laten we niemand meer door. Ja, ze hebben daar wel een man op een draagbaar, maar zo is het gemakkelijk om voor te kruipen. Wij waren hier eerst, ze moeten ook maar op tijd komen. Ze moeten ook maar hun beurt afwachten. Iedereen gelijk voor de wet!

 

Zelfs in de schriftgeleerden en hun commentaar kunnen we onszelf herkennen. We komen om een genezing te zien en dan horen we iets over het vergeven van zonden. Dat past niet in ons verwachtingspatroon. En bovendien: zonden vergeven! Wat denkt die man wel? Wie denkt hij wel dat hij is? Als we er even over nadenken, zien we dat zo een verhaal uit het evangelie bevolkt is met gewone, levende mensen, mensen van alle tijden, zoals jij en ik.

 

De enige die niet past in het patroon, is Jezus. Niet alleen omdat Hij zo ver boven ons staat. Maar ook omdat hij reageert op een totaal onverwachte manier. Hij is blijkbaar niet verbaasd wanneer in het midden van die mensenmassa plots een draagbaar uit het dak te voorschijn komt met een verlamde man erop. En het eerste wat Hij zegt is: "Vriend, uw zonden zijn u vergeven".

Niet alleen de schriftgeleerden zijn geschokt, ook de lamme is allicht heel verbaasd.

 

Want die man wilde genezen worden van zijn verlamming en niet echt van zijn zonden. Maar voor Jezus is er blijkbaar niet zo heel veel verschil tussen die twee. Hij wil niet alleen de verlamming genezen, maar de totale mens.

Het lichamelijke en het geestelijke horen bij elkaar. Wij zeggen het ook wel eens over een zieke, over iemand die zich niet goed voelt: het zit vooral tussen de oren. Hoe men zich voelt, heeft niet alleen met het lichaam te maken. Je kan trouwens ook verlamd worden door schrik, door faalangst, door gebrek aan vertrouwen, door verdriet, door eenzaamheid.

 

En de lamme uit het verhaal had eigenlijk een dubbel probleem. Hij was verlamd en hij raakte niet tot bij Jezus. Ook omdat men hem geen plaats gaf, omdat men hem niet wilde doorlaten. Hij mocht niet meedoen, hij hoorde er niet bij. En als Jezus hem zegt dat zijn zonden vergeven zijn, hoort hij er weer bij, dan krijgt hij opnieuw een volwaardige plaats.

Dan zien ook de anderen dat hij meetelt. Hij neemt zijn bed op en loopt weg.

En dat is nog iets dat we herkennen: mensen die er niet bij horen. Omdat we hen geen plaats gunnen in ons gezelschap, in de maatschappij. Omdat ze een beperking hebben, niet meekunnen met de vlugsten, de boel vertragen.

Of omdat we hen een bepaalde misstap niet kunnen of willen vergeven. Want ook dat speelt mee: zijn zonden worden niet alleen door God vergeven, maar ook door de gemeenschap. Als dat gebeurt en duidelijk wordt, dan wordt alles anders, dan is ook een nieuw begin mogelijk.

 

En daarmee zitten we bij de eerste lezing. Ook daar belooft Jahweh een nieuw begin, ondanks alle zonden en overtredingen uit het verleden. "Blijf niet staren op wat vroeger was, sta niet stil in het verleden". We gaan het straks zingen in de viering. Blijven hangen in het verleden is wat de schriftgeleerden doen in het verhaal. En wij ook soms, als we bang zijn voor vernieuwing, als we de stap niet durven zetten naar het onbekende.

Ook in de kerk.

 

De vier dragers én de lamme durfden de stap te zetten. En zij worden ervoor beloond.

Want als Jezus zegt: "Uw zonden zijn u vergeven", dan zegt Hij in wezen hetzelfde als Jahweh in de eerste lezing: "Ik ga met u iets nieuws beginnen. Het is al begonnen, zie je het niet?" Zonden vergeven: het betekent weer mogen meedoen, een nieuwe kans krijgen, helemaal! En dan is dit niet zomaar het zoveelste verhaal over een wonderbare genezing. Een wonderbare genezing van een lichamelijk kwaal.

Maar voor de betrokkenen is het wel een wonder. Een groot en deugddoend wonder! 

Zodat er terecht kan worden gezegd: "Zoiets hebben we nog nooit gezien" …