Vakantie (2006)

Vroeger op het gymnasium kregen wij het al geleerd: ons Nederlands woord "vakantie" stamt van het Latijnse werkwoord "vacare". En "vacare", zo werd ons ingepompt, heeft twee betekenissen. Het betekent "vrij-zijn-van...", maar ook "vrij-zijn-voor...". En, inderdaad daarmee is precies gezegd wat vakantie inhoudt! Vakantie. Dat is vrij-zijn-van de dagelijkse beslommeringen van je werk en van je zorgen. Dat is vrij-zijn-voor rust, ontspanning, genieten, tot jezelf komen!
Met die eerste betekenis van vakantie heeft niemand moeite. Wij ontdoen ons maar al te graag een tijdje van alle kopzorg. Wij vergeten een poos werk, school en buurt. Blijkbaar valt dat niet moeilijk. Je bevrijden van de regelmaat en het ritme waarin je leven normaal een heel jaar verloopt. Vrij zijn van dit alles gaat als vanzelf. Maar ook dat andere: vrij zijn voor rust en ontspanning. Gaat dat ook zo gemakkelijk?
Want, vaak neemt de vakantieganger helaas zijn jachtige leefpatroon ook weer mee naar de verre streken. Urenlang rijden in ongezonde dampende files, en Gods mooie natuur heb je nauwelijks gezien. Het rumoer van stad en land wordt ontvlucht, je gunt je zogenaamd rust en wat doe je? Je brengt je dagen door op een volgepropt strand waar de ene transistor de andere nog overstemt! Blijkbaar hebben wij moeite met onze vrijheid voor echt genieten in alle rust en stilte.
"Komt nu eens zelf mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en rust daar wat uit" (Mc. 6,31). Woorden van Jezus tot zijn leerlingen na een tijd van zware inspanningen. Na gedane arbeid is het goed rusten! Een wijsheid die wij ons in de vakantietijd ter harte nemen. Maar gunnen wij ons dan ook die rust?
Een kinderverhaal houdt ons deze les voor: vier veldmuisjes hamsterden de hele zomer voedsel voor de wintermaanden. Alleen het muisje Frederick doet niet mee; die ligt te luieren op zijn rug. "Waarom werk je niet met ons mee, en laat je ons alles alleen opknappen?", vragen de anderen. "Ik verzamel zonnestralen voor de winter", zegt Frederick, "en kleuren voor de donkere maanden, en woorden om verhalen van te maken".
Toen de winter was gekomen, aten de muisjes van hun voorraad. Maar omdat de winter extra lang duurde, raakten al hun tarwe en nootjes op. Toen ze het koud hadden en honger kregen, vertelde Frederick over de warme zon, het rood van de bessen, het blauw van de korenbloemen. En hij maakte een gedicht over de lente die weldra zou komen. De andere muisjes kregen het er warm van, en ze riepen: "Jij kunt het mooi zeggen. Jij bent een dichter".
"Dat weet ik niet", zei Frederick. "Wat ik wel weet, is dat op z'n tijd genieten net zo belangrijk is als zorgen!".