15e zondag door het jaar (2009)

'Ik ben geen profeet en ik ben geen profetenzoon; nee, veefokker was ik en kweker van moerbeivijgen; toen nam de Ene mij weg van achter de kudde; de Ene zei tot mij: ga heen, profeteer tot mijn gemeente Israël!', zo antwoordt Amos de priester Amatsja. Deze Amatsja is in dienst van koning Jerobeam II. Het is de tijd van de twee koninkrijken: Juda, rondom Jeruzalem en onder koning Oezia, in het zuiden, en Israël, rondom Samaria en onder koning Jerobeam, in het noorden. Door de internationale verhoudingen van dat moment gaat het beide koninkrijken materieel bijzonder goed. Gerechtigheid komt daarbij echter in het gedrang. Amos, een veeboer uit Juda, trekt naar het Noordrijk om daar te profeteren. De gevestigde orde stelt dat niet op prijs: Ga jij maar terug naar waar je vandaan komt. Maar Amos kán niet anders, het is immers de Ene zelf die hem op weg zet. Een oerverhaal van de confrontatie tussen het gehoorzamen aan goddelijk gezag en het dienen van menselijke macht...
Misschien zouden wij in onze laat-moderne situatie eerder zeggen: een confrontatie tussen de ene claim op waarheid en de andere claim op waarheid. Maar dan gaan we voorbij aan een centraal refrein in het boek Amos. Het gaat Amos namelijk niet om waarheid, maar om gerechtigheid: 'gij hebt het recht in gal veranderd en de vrucht van gerechtigheid in alsem!' (6,12). Laten we er eens in duiken...
Het boek Amos begint met acht aanklachten tegen verschillende volkeren. De opbouw van elke aanklacht is steeds dezelfde: 'Om drie misstappen van Damascus of om vier zal ik het niet kerkeren, maar wel omdat zij... Om drie misstappen van Gaza of om vier zal ik het niet kerkeren, maar wel omdat zij... Om drie misstappen van Tsor of om vier zal ik het niet kerkeren, maar wel omdat zij...' Het punt is duidelijk: het gaat Amos, of beter: de Ene, niet om een enkele misstap, een toevallige uitglijder op een onbewaakt ogenblik, maar om het stelselmatig doen van wat onrecht is. En wat voor onrecht? Oorlogswreedheden (1,3), gebrek aan menselijkheid tegenover vrouwen (1,13), schending van internationale verdragen (1,9), burgeroorlog (1,11) en slavenhandel (1,6.9). Je denkt vanzelf aan landen als Sierra Leone, Birma, Honduras, Congo, Tsjetsjenië, Iran, China. Maar Amos spreekt niet alleen over de buurlanden van Juda en Israël; hij spreekt ook over Juda en Israël zelf. Over Israël is hij zelfs het uitvoerigst: 'Om drie misstappen van Israël of om vier zal ik het niet kerkeren, maar wel omdat zij een rechtvaardige voor zilver verkopen en een arme omwille van een paar schoenen; die het hoofd van geringen het stof der aarde intrappen en de weg van weerlozen lang maken' (2,6-7).
Je zou dan kunnen denken aan de slavenhandel waar Nederlanders bij betrokken zijn geweest. De Nederlandse regering heeft er al vaker spijt over betuigt - twee weken geleden nog, bij monde van staatssecretaris Bijleveld, tijdens de Nationale Herdenking Slavernijverleden op 1 juli in Amsterdam. Maar je zou ook kunnen denken aan het vasthouden in detentiecentra van asielzoekerskinderen, in strijd met allerlei internationale verdragen. Of, om nog dichter op het eigen lijf te komen, onze aankopen van spullen waar kinderarbeid bij te pas is gekomen, of het gebruik van chemische middelen die vervolgens het milieu aantasten, of het veel te laag uitbetalen van de mensen die de spullen maken...
Na deze acht gerichtsspreuken over de volkeren gaat Amos nader in op de misdaden van Israël: 'die in hun paleizen hun schatkamers vullen met geweld en overweldiging' (3,10), 'die geringen verdrukken en armen vertrappen! (4,1), 'omdat ge trapt op een geringe en koren met draaglasten tegelijk van hem afneemt... een rechtvaardige benauwen ze, toedekgeld nemen ze aan en armen zullen ze in de poort opzijdrukken' (5,11-12), 'gij die een arme vertrapt, - en uitroeit de gebukten van een land, zeggend: wanneer is de nieuwemaan voorbij en kunnen we koren verkopen? - en de sabbat, dat we de graanschuur kunnen openzetten? - om een efa te verkleinen, een sjekel te vergroten en een vervalste weegschaal nog krommer te maken; om geringen op te kopen voor een geldschuld en een arme vanwege een paar schoenen, - en graanafval verkopen we mee!' (8,4-6).
Deze misdaden alleen al verdienen bestraft te worden, maar de Ene heeft bij monde van Amos nog een appeltje te schillen met de Israëlieten. Ze lijken te menen het onrecht dat ze bedrijven te kunnen compenseren met een verzorgde eredienst, met kostbare offers en mooie muziek. De Ene is er niet van gediend: 'Haten en verwerpen zal ik uw feesten, - uw hoogtijdagen wil ik niet meer ruiken; ja, als ge tot mij opgangsgaven laat opstijgen, en uw broodgiften, - ik heb er geen behagen in; de vredesgift, uw mestbeesten, kijk ik niet aan; doe van mij weg het getier van je liederen, - de muziek van je harpen wil ik niet horen!' (5,21-23). Dit is een rechtstreekse uitdaging aan elke locale geloofsgemeenschap. Onze liturgie kan nog zo verzorgd zijn, onze koren kunnen nog zo mooi zingen, de preek kan nog zo bemoedigend en inspirerend zijn, waar het uiteindelijk om gaat is hoe we omgaan met de armgemaakte, de onderdrukte, de sociaal overbodig verklaarde! En dan niet alleen die enkeling die bij ons aanklopt en die we gastvrij, voor even, opvangen - ook al is dat soms al heel wat.
Het najagen van recht en gerechtigheid gaat verder. Het vraagt om het analyseren van machtsstructuren, van geldstromen, van productieketens, van afhankelijkheidsrelaties. Det vraagt om het nagaan wanneer een beloning rechtvaardig is en wanneer onder de maat of juist excessief. Dat vraagt om het expliciteren van de herkomst van een product in de winkel. En van waaruit de prijs ervan bestaat: hoeveel gaat er naar de boer of naar de inwoners van het land waar de grondstof vandaan komt? En hoeveel naar de verwerkingsindustrie, het grootwinkelbedrijf en het bank- en verzekeringswezen? Dat vraagt om het je op de hoogte stellen van hoe het eraan toegaat in een bananenplantage of een coltanwinningsgebied, een asielzoekerscentrum of een vreemdelingen­detentie­centrum, een spijkerbroekenverferij of een varkensslachterij. Dat vraagt om het inventariseren van geldstromen tussen arme landen en rijke landen. Enzovoort, enzovoort.
Wie dat doet, komt al gauw tot de vaststelling dat ieder van die hier zit, mezelf niet uitgezonderd, van onrechtvaardige situaties en verhoudingen in deze wereld profiteert. Wij zitten immers aan de goede kant van de streep. Dat niemand van ons, mezelf niet uitgezonderd, zich kan onttrekken aan medeverantwoordelijkheid voor het in stand houden van onrechtvaardige situaties en verhoudingen in deze wereld. Wij behoren immers tot de machtigen van deze wereld - misschien niet individueel, maar gezamenlijk in ieder geval wel. Over òns klinkt het woord van de Ene dat Amos doorgeeft: 'Sla zo op het altaarblad dat de drempels beven, en splijt die op het hoofd van hen allen, en wie daarna nog leven breng ik om met het zwaard, van hen zal geen vluchteling kunnen vluchten en geen ontsnapte ontkomen; al zullen ze inbreken in de hel, daaruit neemt mijn hand hen mee; al klimmen ze op ten hemel, daaruit laat ik hen neerdalen. (...) ik heb mijn oog op hen gezet ten kwade en niet ten goede!' (9,1-4). Voor de Joden die het boek Amos lezen, geeft de herinnering aan de verwoesting van de tempel en de ballingschap van het volk, aan deze woorden een ongekende dreiging. Voor ons, die ik weet niet wat nog te wachten staat, is die dreiging misschien niet zo direct voelbaar, maar toch...
Dat wetende, intrigeert het mij dat die mensen in Hansweert dat beeld van Amos, dat door de kunstenaar was bestemd om te verweren en te verwaaien, wilden behouden. En dat dat aannemersbedrijf dat wilde bekostigen. Zulke stemmen als die van Amos kun je toch beter tot zwijgen brengen? Stel je voor dat je je voordeel zou moeten inleveren, dat je je welvaart zou moeten delen, dat je zou moeten omkeren! Het beeld zoals het eruit ziet, herinnert immers niet, of minstens niet alleen aan het laatste stukje van het boek Amos, dat hoop geeft: 'Zie, er zijn dagen op komst, is de tijding van de Ene, dat de ploeger gelijk na de maaier aantreedt en de druiventreder gelijk na hem die het zaad in lange voren legt; de bergen zullen druipen van zoete wijn en alle heuvels ervan wankelen' (9,13). Ondanks de herhaalde verzekering dat de Ene zijn vonnis zal voltrekken, vernietigt Hij Israël niet totaal. Er blijft een belofte over. De Ene is altijd bereid om te vergeven en met zijn volk opnieuw te beginnen.
Maakt deze belofte alle dingen zoet en het voorafgaande - de aanklacht en de herinnering aan de verwoesting van de tempel en de ballingschap - ongedaan? Nee, het voorafgaande laat zien hoe kwetsbaar en onvanzelfsprekend de belofte van het goede is. Dáárom is het goed Amos te lezen. Om ons te herinneren aan waar we toe bestemd zijn, om ons te wijzen op waar we daarin te kort schieten - schromelijk te kort! - om ons te bemoedigen met die onvanzelfsprekende hoop op het goede. Zoals de theoloog Erik Borgman, door Vrij Nederland genoemd als een van meest scherpzinnige denkers van Nederland, antwoordt op de vraag wat we mogen hopen: dàt we mogen hopen. Daar gaat het in het christendom om: het verhaal blijven vertellen dat het anders moet, dat het anders kan en dat het anders zal. Of dat voldoende is, het verhaal wel vertellen, maar er bitter weinig van terecht brengen, dat ligt in handen van de Ene die gerechtigheid èn barmhartigheid bijeen weet te houden, zoals geen mensenkind dat kan. 'Dauwt, hemelen, van omhoog, en, wolken, regent de gerechte. Vrees niet, Ik zal u redden. Ik ben het, Israëls God, de Heilige, en geen ander. Ik zal zijn uw Bevrijder...'