Vijftiende zondag door het jaar (2000)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 213 niet laden

Spoedig na de dood van Salomon splitst het rijk van David zich in twee delen: het Noordrijk (vooral Samaria) met Betel als hoofdstad en het Zuidrijk (Juda) met Jeruzalem als hoofdstad, ieder met een eigen koning. De koning van het Noordrijk had profeten in dienst, die van het Zuidrijk misschien ook wel, maar het punt is dat die profeten moesten profeteren wat de koning graag wilde horen. Zij moesten de koning opjutten. Dat was niet ongewoon aan het hof en men sprak dan ook van een profetengilde, betaald door de koning.
Amos komt van het Zuidrijk, de -laten we zeggen- de orthodoxen, hij is een boer. Hij zegt zo ongeveer tegen Amasja dat hij zelf geen broodprofeet is, die het van de gunst van de koning moet hebben, maar dat hij onafhankelijk is en alleen in dienst staat van, gehoor geeft aan JHWH omdat Diens volk gevaar loopt. God is bezorgd om zijn volk dat door de koning slecht wordt geleid; er is nl. veel onrecht.

In de evangelielezing is ook sprake van zending. Jezus is de gezondene, gezonden door de Vader die Zich nog steeds bezorgd maakt om Zijn volk. Jezus spreekt het woord van de Vader, hij is - in een andere betekenis - Zijn broodprofeet. Dat brood houdt hij niet voor zichzelf, hij deelt het rond en daartoe zendt hij de twaalf, twee aan twee. Hij stuurt hen heel eenvoudig. De vorige week hebben we gelezen hoe de dorpsgenoten van Jezus niet konden begrijpen dat een gewone jongen, zoals ze Jezus kenden, die wonderlijke dingen kon doen. Dat klopte niet met hun idee. Zo iemand moest misschien wel in een wolk van voornaamheid lopen, liefst met dienaars, en zo meer. Ze wisten niet dat het eenvoudige al zwanger is van het verhevene, als je het maar wil en kunt zien. Datzelfde houdt Jezus ook nu vast: hij stuurt hen als gewone mensen, zonder veel uitrusting: geen geld, reiszak, voedsel. Ze moeten ook geen relatiekring onder mensen opbouwen door van huis naar huis te gaan. Ze hebben hun relatie al die ze nodig hebben.

Wel met sandalen want die heb je nodig om te lopen; je hoeft je voeten niet kapot te lopen. Het overige krijg je en je uitrusting voor het woord draag je in jezelf mee.
Want wat ze ook meekrijgen is een stok. Nergens staat dat Jezus zelf een stok hanteerde. Waarom geeft hij hen dan een stok mee? Wij zien een stok als iets om op te leunen of als iets om je ermee te verdedigen enz. Maar in de oudheid is een stok meer: het betekent ook een woord, een levendmakend woord. De boodschapper van de Griekse goden, Hermes, had een stok met twee groene uitlopers, levend groen. De Egyptische mythologie kent 'de heer van het levende woord': hij draagt een kunstige bewerkte stok voor zich. (die stok heeft ook de betekenis van het gebiedend woord en dan noemen wij het een scepter). In een kathedraal in Frankrijk staat ook de engel Gabriël afgebeeld met de z.g. boodschapper­staf na zijn bezoek aan Maria. De twaalf krijgen als teken van hun woord, hun boodschap, een stok mee. Ze kunnen steunen op die stok, lichamelijk maar ook geestelijk, steunen op het woord van hem dat ze meekrijgen. Ze kunnen de stok hanteren als het levende woord, als leven gevend woord.
Maar ze hoeven niet met de stok te slaan, ze hoeven niet te drammen; als men niet wil horen, helpt dat toch niet. Die boodschap kan alleen maar gedijen in vrijheid, in zoeken, in willen luisteren, niet in gedwongen gehoorzamen, maar in gehoor geven.

De boodschap is dezelfde als bij Amos: bekeer je, hoor, zie het eens anders, laat jezelf vrij want de grote inhoud, het goede nieuws, is dat zonden worden vergeven. Je verhouding met JHWH, met Degene die Jezus zijn 'paps' noemt, kan hersteld worden, kan altijd hersteld worden omdat liefde op de eerste plaats komt. Wij zien een profeet al gauw als iemand die een donderpreek houdt, maar hij bemoedigt net zo goed. En zo kun je ook je relatie met je naasten herstellen, in ere houden, en het recht handhaven. En dan?

Wat dan gebeurt hebben we gebeden in de tussenzang, psalm 85: "Aanhoren wil ik wat God tot mij zegt, voorzeker een woord van verzoening - als trouw en erbarmen elkaar tegemoet gaan, als vrede en recht(!) elkander omhelzen, dan zal de trouw uit de aarde ontspruiten en ziet uit de hemel gerechtigheid neer" (of: Wat dan gebeurt hebben gezongen in de tussenzang: "Ik wil horen het woord van de Heer: vrede is het woord van de Heer. Genade en trouw ontmoeten elkaar, waarheid en vrede omhelzen elkaar. Waarheid snelt voor Hem uit als een bode. Vrede volgt Hem waar Hij gaat.") [Desgewenst nog meer verzen citeren.]

Het is een gevoelig beeld, er spreekt tederheid uit. Genade en waarheid / trouw en erbarmen ontmoeten elkaar. Doet dat niet denken aan de ontmoeting van Maria en Elisabeth, de nieuwe genade en de oude waarheid/de oude trouw en het nieuwe erbarmen, die voor elkaar open staan, die elkaar aanvullen in grote verwachting, die elkaar spontaan kunnen omhelzen. Gerechtigheid en vrede, zij omhelzen/kussen elkaar. Het moeten toch wel diepgaande geloofs-ervaringen zijn als mensen zó hun eigen ervaring van onderlinge tederheid kunnen toepassen op geestelijk niveau. Door onderlinge tederheid - in welke vorm dan ook - wordt menselijk zijn in geloofsbeleving opgetild naar de hemel. Brengen we door onderlinge tederheid - in welke vorm dan ook - niet Gods Woord? Zijn we dan ook niet - in alle bescheidenheid - profeet? Hebben we dan niet ook een stukje stok meegekregen? Heel eenvoudig en waar. Amos was een eenvoudig man, de apostelen waren eenvoudige mensen - laat ons ook eenvoudig zijn en even waar.

 

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. De vraag naar meer speelt in je leven mee. Vaak wordt dat vertaald met carrière maken e.d. Maar in de eenvoud ligt blijvend kracht en inhoud. In eenvoud kun je je eigen waar-zijn ontdekken. Wedden dat dat liefde is? Liefde die je gekregen hebt? Als steun en als kracht.

 

Zullen we ons een paar minuten de tijd gunnen dat over ons te laten komen? Als trouw en erbarmen elkaar tegemoet gaan, als vrede en recht elkaar omhelzen (of: genade en trouw ontmoeten elkaar, waarheid en vrede kussen elkaar), maken we dan niet een beetje hemel op aarde?